Fiscale discriminatie eenverdienergezinnen
Gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld. Met dit in gedachten vergelijk ik twee gezinnen met elk een inkomen van €50.000. Gezin 1 betaalt €10.857 inkomstenbelasting en gezin 2 slechts €1.566. Het verschil is maar liefst €9.291, €774 per maand. Bij gezin 1 is er één verdiener met een loon van €50.000. Bij gezin 2 werken beide partners en hebben ieder een loon van €25.000.
Wat veroorzaakt het verschil van €9.291? Het komt voornamelijk door de (inkomensafhankelijke) heffingskortingen. Elke werkende partner heeft zijn eigen algemene heffings- en arbeidskorting. Een gezin met twee verdieners benut die kortingen twee keer. De algemene heffingskorting daalt naarmate het inkomen stijgt. De tweeverdieners hebben samen €6.230, terwijl die van gezin 1 slechts €1.819 bedraagt. Gezin 2 heeft €4.679 meer arbeidskorting dan gezin 1. Hieronder een overzicht:
| Gezin 1 | Gezin 2 | Verschil | |
| Inkomstenbelasting zonder heffingskortingen | 18.075 | 17.874 | 201 |
| Algemene heffingskorting | -1.819 | -6.230 | 4.411 |
| Arbeidskorting | -5.399 | -10.078 | 4.679 |
| Inkomstenbelasting met heffingskortingen | 10.857 | 1.566 | 9.291 |
Het kan trouwens nog erger. Bij één of meer jonge kinderen heeft een van de twee werkende partners de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Deze heffingskorting bedraagt €2.149. De gezinsbelasting komt dan uit op €783 en het verschil met gezin 1 stijgt tot €10.074.
In 2008 had de partner zonder inkomen de algemene heffingskorting. Deze werd uitbetaald. Vanaf 2009 is deze uitbetaling met 6,67% per jaar afgebouwd. In 2024 was de afbouw compleet. Deze maatregel was nadelig voor eenverdienergezinnen.
De maximale arbeidskorting bedroeg in 2008 €1.443. In 2026 bedraagt deze maar liefst €5.685, en men wil haar voor 2027 nog verder verhogen. Door de enorme stijging van de arbeidskorting is het verschil tussen eenverdienergezinnen en tweeverdienergezinnen te groot geworden. Er is sprake van een onbedoeld gevolg. Daar zou daar iets aan moeten worden gedaan.
De belastingwetgever neemt de individuele partners als uitgangspunt voor het tarief en de heffingskortingen. Het aansluiten bij het gezinsinkomen zou schadelijk zijn voor de emancipatie van de vrouw. Voor de toeslagen is echter wél het gezamenlijke inkomen van het gezin bepalend. De wetgever is dus niet consequent. Dit verschil in uitgangspunt is één van de oorzaken van de complexiteit van het stelsel. Met het oog op de noodzakelijke herziening van het toeslagenstelsel zou het fiscale uitgangspunt van individuele belastingheffing misschien moeten worden heroverwogen. Als onderdeel daarvan zou ook het onderhavige ongerechtvaardigde verschil kunnen worden verkleind.